Natuur is voor tevredenen of legen. En dan: wat is natuur nog in dit land? Een stukje bos, ter grootte van een krant. Een heuvel met wat villaatjes ertegen.
Geef mij de grauwe, stedelijke wegen, De in kaden vastgeklonken waterkant, De wolken, nooit zo schoon dan als ze, omrand Door zolderramen, langs de lucht bewegen.
Alles is veel voor wie niet veel verwacht. Het leven houdt zijn wonderen verborgen Tot het ze, opeens, toont in hun hoge staat.
Dit heb ik bij mijzelve overdacht, Verregend, op een miezerige morgen, Domweg gelukkig, in de Dapperstraat.
J.C. Bloem(10 mei 1887 – 10 aug. 1966)
uit de bundel: 'Quiet though sad' (1947)
meer gedichten van J.C. Bloem kan U o.a. lezen op:
'k Heb menig menig uur bij u gesleten en genoten, en nooit en heeft een uur met u me een enklen stond verdroten. 'k Heb menig menig blom voor u gelezen en geschonken, en, lijk een bie, met u, met u, er honing uit gedronken; maar nooit een uur zo lief met u, zo lang zij duren koste, maar nooit een uur zo droef om u, wanneer ik scheiden moste, als het uur wanneer ik dicht bij u, dien avond, neergezeten, u spreken hoorde en sprak tot u wat onze zielen weten. Noch nooit een blom zo schoon, van u gezocht, geplukt, gelezen, als die dien avond blonk op u, en mocht de mijne wezen ! Ofschoon, zo wel voor mij als u, -wie zal dit kwaad genezen ?- een uur bij mij, een uur bij u, niet lang een uur mag wezen; ofschoon voor mij, ofschoon voor u, zo lief en uitgelezen, die roze, al was 't een roos van u, niet lang een roos mocht wezen, toch lang bewaart, dit zeg ik u, 't en ware ik 't al verloze, mijn hert drie dierbre beelden: U, dien avond - en - die roze !
Guido Gezelle Geschreven op 1 november 1858, voor zijn leerling Eugeen van Oye.
Guido Gezelle is zowat de bekendste dichter uit het Vlaamse taalgebied.Voor velen is hij de priester-dichter, voor anderen dan weer de man die opkwam voor een officieel gebruik van het Vlaams, voor de meeste is hij vooral de dichter die speelde met klanken en woorden, en zangerige zinnen neerzette als ‘O Krinklende winklende waterding, met ‘t zwarte kabotseken aan …’ in klinkende gedichten als ‘Het Schrijverke’.
Voor mij is hij vooral de schrijver van ‘Dien Avond en dien Roze’, zowat het mooiste liefdesgedicht ooit geschreven door een man voor een man.Hij schreef het voor zijn toen 18 jarige leerling, Eugène van Oye.Het werd meteen ook zijn meest controversiële gedicht, want er een liefdesverklaring in lezen was iets wat natuurlijk niet kon of mocht en dat werd dan ook (en wordt nog steeds) door de Katholieke achterban van Gezelle ten stelligste ontkend.
Feit is dat Gezelle als leraar poëzie te Roeselare later werd ontslagen en overgeplaatst naar Brugge, vanwege een ‘te nauwe band met zijn leerlingen’.Wat daar precies achter stak, zal men waarschijnlijk nooit te weten komen, waardoor er vooral meer reden overblijft voor speculatie.
Interessant om weten in deze is ook hoe het verder verging met Eugène van Oye, de leerling voor wie het gedicht op 1 november 1858 geschreven werd.Nog in dat zelfde jaar werd hij door zijn vader weggehaald van het Klein Seminarie te Roeselare, om hem ‘te onttrekken van de invloed van Guido Gezelle’.Later zou Eugène van Oye, net als zijn vader, arts worden, maar zijn liefde voor de poëzie en het schrijven bleken echter sterker te zijn, wat hem o.a., als toneelschrijver, in 1924 de Staatsprijs voor Vlaamse toneelletterkunde opleverde.
't Is goed in 't eigen hert te kijken Nog even vóór het slapen gaan, Of ik van dageraad tot avond Geen enkel hert heb zeer gedaan ;
Of ik geen oogen heb doen schreien, Geen weemoed op een wezen lei ; Of ik aan liefdelooze menschen Een woordeke van liefde zei.
En vind ik in het huis mijns herten, Dat ik één droefenis genas, Dat ik mijn armen heb gewonden Rondom één hoofd, dat eenzaam was... ;
Dan voel ik op mijn jonge lippen, Die goedheid lijk een avond-zoen...
't Is goed in 't eigen hert te kijken En zóó z'n oogen toe te doen.
Alice Nahon
uit ‘Op zachte Vooizekens’ – 1921
De Nederlandsche Boekhandel – Antwerpen
A. W. Sijthoff’s uitgeversmaatschappij – Leiden
'Avondliedeke' gelezen door Jeanine Schevernels:
Alice Nahon werd te Antwerpen geboren op 16 augustus 1896 en was derde in een gezin van elf kinderen. Haar vader was een Nederlander met Franse achtergrond, haar moeder was afkomstig uit Putte (nabij Mechelen).
Vanaf 1911 studeerde ze aan de landbouwschool te Overijse. In 1914 ging ze aan de slag als leerling-verpleegster in het Stuivenberg-ziekenhuis te Antwerpen. Ze werd echter ziek en men concludeerde dat ze leed aan tuberculose. De hierop volgende jaren bracht ze door in diverse sanatoria. In 1917 werd ze opgenomen in het St. Jozefinstituut te Tessenderlo waar ze zes jaar verbleef. Naast haar longziekte worstelde ze ook regelmatig met depressies. Tijdens haar verblijf in Tessenderlo schreef ze twee poëziebundels: 'Vondelingskens' (1920) en 'Op zachte vooizekens' (1921).
In 1923 liet ze zich opnieuw onderzoeken in Luzern. De diagnose luidde daar dat ze geen TBC had, maar een chronische bronchitis. Er viel een zware last van haar af en ze herstelde toen vrij snel.Nadien verbleef ze nog een tijdje in Italië, de Landes en Parijs.
Vanaf 1927 was ze werkzaam in de stadsbibliotheek te Mechelen en genoot ze met volle teugen van het (nacht)leven. Ze behoorde tot de kennissenkring van Fernand Berckeleers, Maurits Sabbe, Gerard Walschap e.a. kunstenaars. In deze periode woonde ze in de kapelwoning van het kasteel Cantecroy in Oude-God te Mortsel.
Alice Nahon schreef vooral eenvoudige, bijna kinderlijk gevoelige gedichten (terugkerende thema's in haar werk waren eenzaamheid, geloof en verlangen naar geluk), maar met haar bundel 'Schaduw' (1928) probeerde zij zich te ontdoen van haar deugdzame en brave imago, waarvoor ze, vooral door Paul van Ostaijen, werd bekritiseerd en bespot.
Tijdens haar laatste levensjaar verhuisde ze naar de Carnotstraat in Antwerpen en werd ze opnieuw ernstig ziek. Ze overleed op 21mei 1933, haar graf kan men nog steeds bezoeken op het Schoonselhof te Hoboken (Antwerpen).
SCHADUW
Ik heb de liefde liefgehad; daarom wellicht heeft zij me niet bemind. Zo doet de mooie minnaar met een zeer verliefde kind.
Ik heb de zon te lief gehad en beu van beedlen aan de deuren van de dagen ben ik geworden als een varenblad dat liever in de lommer leeft dan zon te dragen.
En daarom bouwt mijn kommer aan een huis waar lamp- en zonnelicht getemperd zijn voor de ogen en waar de soobre lijn van een gelaat en waar de vrede van een vriendschap staat lijk schaduw van een boom over mijn hoofd gebogen.
Alice Nahon
Uit 'Schaduw' - gedichten van Alice Nahon.
Uitgeverij: De Nederlandsche Boekhandel, 1928.
‘Ik heb de liefde liefgehad’ is ook de sprekende titel van een biografie over het leven van Alice Nahon, geschreven door Manu Van der Aa en bekroond met de ‘Prijs voor de monografie’ van de provincie Antwerpen.
Zelf werd ik geïnspireerd, na het beluisteren van een reportage op de radio over het (toch wel bewogen) leven van Alice Nahon, tot het schrijven van het gedicht dat ik vorig jaar al een keer op mijn blog plaatste: