Showing posts with label klassieker. Show all posts
Showing posts with label klassieker. Show all posts

Wednesday, July 17, 2013

Domweg gelukkig, in de Dapperstraat - J.C. Bloem

.
De Dapperstraat
Natuur is voor tevredenen of legen.
En dan: wat is natuur nog in dit land?
Een stukje bos, ter grootte van een krant.
Een heuvel met wat villaatjes ertegen.

Geef mij de grauwe, stedelijke wegen,
De in kaden vastgeklonken waterkant,
De wolken, nooit zo schoon dan als ze, omrand
Door zolderramen, langs de lucht bewegen.

Alles is veel voor wie niet veel verwacht.
Het leven houdt zijn wonderen verborgen
Tot het ze, opeens, toont in hun hoge staat.

Dit heb ik bij mijzelve overdacht,
Verregend, op een miezerige morgen,
Domweg gelukkig, in de Dapperstraat.

 

J.C. Bloem (10 mei 1887 – 10 aug. 1966)
uit de bundel: 'Quiet though sad' (1947)

 
meer gedichten van J.C. Bloem kan U o.a. lezen op:
een biografie op:
.
 
 

read more

Wednesday, February 13, 2013

Dien Avond en die Roze - G. Gezelle

.
 .
Dien Avond en die Roze
.
'k Heb menig menig uur bij u
gesleten en genoten,
en nooit en heeft een uur met u
me een enklen stond verdroten.
'k Heb menig menig blom voor u
gelezen en geschonken,
en, lijk een bie, met u, met u,
er honing uit gedronken;
maar nooit een uur zo lief met u,
zo lang zij duren koste,
maar nooit een uur zo droef om u,
wanneer ik scheiden moste,
als het uur wanneer ik dicht bij u,
dien avond, neergezeten,
u spreken hoorde en sprak tot u
wat onze zielen weten.
Noch nooit een blom zo schoon, van u
gezocht, geplukt, gelezen,
als die dien avond blonk op u,
en mocht de mijne wezen !
Ofschoon, zo wel voor mij als u,
-wie zal dit kwaad genezen ?-
een uur bij mij, een uur bij u,
niet lang een uur mag wezen;
ofschoon voor mij, ofschoon voor u,
zo lief en uitgelezen,
die roze, al was 't een roos van u,
niet lang een roos mocht wezen,
toch lang bewaart, dit zeg ik u,
't en ware ik 't al verloze,
mijn hert drie dierbre beelden: U,
dien avond - en - die roze !


Guido Gezelle
Geschreven op 1 november 1858
, voor zijn leerling Eugeen van Oye.
  


Guido Gezelle is zowat de bekendste dichter uit het Vlaamse taalgebied.  Voor velen is hij de priester-dichter, voor anderen dan weer de man die opkwam voor een officieel gebruik van het Vlaams, voor de meeste is hij vooral de dichter die speelde met klanken en woorden, en zangerige zinnen neerzette als ‘O Krinklende winklende waterding, met ‘t zwarte kabotseken aan …’ in klinkende gedichten als ‘Het Schrijverke’.
 
Voor mij is hij vooral de schrijver van ‘Dien Avond en dien Roze’, zowat het mooiste liefdesgedicht ooit geschreven door een man voor een man.  Hij schreef het voor zijn toen 18 jarige leerling, Eugène van Oye.  Het werd meteen ook zijn meest controversiële gedicht, want er een liefdesverklaring in lezen was iets wat natuurlijk niet kon of mocht en dat werd dan ook (en wordt nog steeds)  door de Katholieke achterban van Gezelle ten stelligste ontkend.  
 
Feit is dat Gezelle als leraar poëzie te Roeselare later werd ontslagen en overgeplaatst naar Brugge, vanwege een ‘te nauwe band met zijn leerlingen’.  Wat daar precies achter stak, zal men waarschijnlijk nooit te weten komen, waardoor er vooral meer reden overblijft voor speculatie. 
 
Interessant om weten in deze is ook hoe het verder verging met Eugène van Oye, de leerling voor wie het gedicht op 1 november 1858 geschreven werd.  Nog in dat zelfde jaar werd hij door zijn vader weggehaald van het Klein Seminarie te Roeselare, om hem ‘te onttrekken van de invloed van Guido Gezelle’.  Later zou Eugène van Oye, net als zijn vader, arts worden, maar zijn liefde voor de poëzie en het schrijven bleken echter sterker te zijn, wat hem o.a., als toneelschrijver, in 1924 de Staatsprijs voor Vlaamse toneelletterkunde opleverde. 
 
wie meer wil weten over Eugène van Oye:
website rond Guido Gezelle:
wikipedia Guido Gezelle:
een bloemlezing van gedichten van Gezelle:
 

 

read more

Friday, December 14, 2012

Roodkapje en de Wolf - Roald Dahl (Revolting Rhymes)

.

Roodkapje en de Wolf
(een lichtvrije vertaling van ‘Little Red Riding Hood and the Wolf’
van Roald Dahl uit ‘Revolting Rhymes’)
 
 
De Wolf die voelde zich wat slap
en verlangend naar een vette hap
klopte hij bij oma aan – ze zag
zijn scherpe tanden en zijn vieze lach
maar Wolfje vroeg lief: “Mag ik er in?”
ze was bang, maar desalniettemin
opende zij voor hem dan toch de deur
ze dacht: ‘Als hij mij nu maar niet verscheurt!’
 
Natuurlijk wel, van teen tot kop
at hij oma in één hap op!
maar oma was niet al te groot
de Wolf had aan meer voedingswaarde nood
hij rende door de keuken heen
en lachte toen plots heel gemeen:
hij zou hier wachten tot zo meteen
Roodkapje van uit het donkere bos verscheen!
 
Hij deed oma haar kleren aan (want moet je weten
die had hij natuurlijk níet opgegeten!)
haar kleedje aan, haar mooiste hoed
en daarna borstelde hij in overvloed
zijn haar tot een kapsel van een beter budget
en vleide zich neer op oma haar bed 
na een tijdje kwam Roodkapje binnen
ze keek, ze staarde en sprak om te beginnen:
 
“Maar oma, wat hebt U grote oren!”
de Wolf fluisterde: “Dat is om beter te horen!”
waarna ze zei: “En zulke grote ogen!”
“Om beter te kunnen zien!” sprak de Wolf ingetogen
terwijl hij keek en liefdevol lachte
maar ondertussen hield hij wel in gedachte:
wat ziet ze er lekker en mals uit en eetbaar 
na die taaie oma smaakt zij voorzeker als kaviaar!
 
 
Waarna Roodkapje plotseling zei:
“Maar oma, wat een mooie pelsmantel heb jij!”
“Hé, dat klopt niet!” riep de Wolf “Je bent vergeten
naar mijn grote tanden te vragen, om jou op te eten!”
Roodkapje grijnsde, en terwijl ze geen spier vertrok
haalde zij een revolver van onder haar rok
en schoot en schoot en schoot nog een keer
de Wolf, die viel toen steendood neer!
 
Wie haar tegenwoordig ziet
die gelooft bijna z’n ogen niet
ze is niet meer het Roodkapje dat ze jaren was
maar een chique dame nu, in een wolvenpelsen jas!
 
 
vertaling © bert deben
Antwerpen, dinsdag 11 december 2012.
 
 
 
 
het origineel:
 
Little Red Riding Hood and the Wolf
(Roald Dahl - ‘Revolting Rhymes’)
 
 
As soon as Wolf began to feel
That he would like a decent meal,
He went and knocked on Grandma's door.
When Grandma opened it, she saw
The sharp white teeth, the horrid grin,
And Wolfie said, ``May I come in?''
Poor Grandmamma was terrified,
``He's going to eat me up!'' she cried.
 
And she was absolutely right.
He ate her up in one big bite.
But Grandmamma was small and tough,
And Wolfie wailed, ``That's not enough!
I haven't yet begun to feel
That I have had a decent meal!''
He ran around the kitchen yelping,
``I've got to have a second helping!''
Then added with a frightful leer,
``I'm therefore going to wait right here
Till Little Miss Red Riding Hood
Comes home from walking in the wood.''
 
He quickly put on Grandma's clothes,
(Of course he hadn't eaten those).
He dressed himself in coat and hat.
He put on shoes, and after that
He even brushed and curled his hair,
Then sat himself in Grandma's chair.
In came the little girl in red.
She stopped. She stared. And then she said,
 
``What great big ears you have, Grandma.''
``All the better to hear you with,'' the Wolf replied.
``What great big eyes you have, Grandma.''
said Little Red Riding Hood.
``All the better to see you with,'' the Wolf replied.
 
He sat there watching her and smiled.
He thought, I'm going to eat this child.
Compared with her old Grandmamma
She's going to taste like caviar.
 
Then Little Red Riding Hood said, ``But Grandma,
what a lovely great big furry coat you have on.''
``That's wrong!'' cried Wolf. ``Have you forgot
To tell me what BIG TEETH I've got?
Ah well, no matter what you say,
I'm going to eat you anyway.''
 
The small girl smiles. One eyelid flickers.
She whips a pistol from her knickers.
She aims it at the creature's head
And bang bang bang, she shoots him dead.
A few weeks later, in the wood,
I came across Miss Riding Hood.
But what a change! No cloak of red,
No silly hood upon her head.
She said, ``Hello, and do please note
My lovely furry wolf skin coat.''
 
 
Roald Dahl.
 




read more

Friday, September 28, 2012

De ceder - Han G. Hoekstra

.
         fotoadaptie: © bert deben


De ceder
Van Han G. Hoekstra (1906-1988)
Korte biografie: de dromen van Han G Hoekstra 
Uit: Panopticum, Amsterdam (1946)
Een uitgebreide bespreking van dit gedicht kan men vinden op:
Klassieke gedichten.net/De ceder 



read more

Sunday, June 10, 2012

Alice Nahon - Avondliedeke ('t is goed in 't eigen hert te kijken ...)

.



 AVONDLIEDEKE III


't Is goed in 't eigen hert te kijken
            Nog even vóór het slapen gaan,
Of ik van dageraad tot avond
            Geen enkel hert heb zeer gedaan ;

Of ik geen oogen heb doen schreien,
            Geen weemoed op een wezen lei ;
Of ik aan liefdelooze menschen
            Een woordeke van liefde zei.

En vind ik in het huis mijns herten,
            Dat ik één droefenis genas,
Dat ik mijn armen heb gewonden
             Rondom één hoofd, dat eenzaam was... ;

Dan voel ik op mijn jonge lippen,
            Die goedheid lijk een avond-zoen...

't Is goed in 't eigen hert te kijken
            En zóó z'n oogen toe te doen.


Alice Nahon
uit ‘Op zachte Vooizekens’ – 1921
De Nederlandsche Boekhandel – Antwerpen
A. W. Sijthoff’s uitgeversmaatschappij – Leiden


'Avondliedeke' gelezen door Jeanine Schevernels:



Alice Nahon werd te Antwerpen geboren op 16 augustus 1896 en was derde in een gezin van elf kinderen. Haar vader was een Nederlander met Franse achtergrond, haar moeder was afkomstig uit Putte (nabij Mechelen).

Vanaf 1911 studeerde ze aan de landbouwschool te Overijse. In 1914 ging ze aan de slag als leerling-verpleegster in het Stuivenberg-ziekenhuis te Antwerpen. Ze werd echter ziek en men concludeerde dat ze leed aan tuberculose. De hierop volgende jaren bracht ze door in diverse sanatoria. In 1917 werd ze opgenomen in het St. Jozefinstituut te Tessenderlo waar ze zes jaar verbleef. Naast haar longziekte worstelde ze ook regelmatig met depressies. Tijdens haar verblijf in Tessenderlo schreef ze twee poëziebundels: 'Vondelingskens' (1920) en 'Op zachte vooizekens' (1921).

In 1923 liet ze zich opnieuw onderzoeken in Luzern. De diagnose luidde daar dat ze geen TBC had, maar een chronische bronchitis. Er viel een zware last van haar af en ze herstelde toen vrij snel.  Nadien verbleef ze nog een tijdje in Italië, de Landes en Parijs.

Vanaf 1927 was ze werkzaam in de stadsbibliotheek te Mechelen en genoot ze met volle teugen van het (nacht)leven. Ze behoorde tot de kennissenkring van Fernand Berckeleers, Maurits Sabbe, Gerard Walschap e.a. kunstenaars. In deze periode woonde ze in de kapelwoning van het kasteel Cantecroy in Oude-God te Mortsel.

Alice Nahon schreef vooral eenvoudige, bijna kinderlijk gevoelige gedichten (terugkerende thema's in haar werk waren eenzaamheid, geloof en verlangen naar geluk), maar met haar bundel 'Schaduw' (1928) probeerde zij zich te ontdoen van haar deugdzame en brave imago, waarvoor ze, vooral door Paul van Ostaijen, werd bekritiseerd en bespot.

Tijdens haar laatste levensjaar verhuisde ze naar de Carnotstraat in Antwerpen en werd ze opnieuw ernstig ziek.  Ze overleed op 21mei 1933, haar graf kan men nog steeds bezoeken op het Schoonselhof te Hoboken (Antwerpen).


SCHADUW


Ik heb de liefde liefgehad;
daarom wellicht heeft zij me niet bemind.
Zo doet de mooie minnaar
met een zeer verliefde kind.

Ik heb de zon te lief gehad
en beu van beedlen
aan de deuren van de dagen
ben ik geworden als een varenblad
dat liever in de lommer leeft
dan zon te dragen.

En daarom bouwt mijn kommer aan een huis
waar lamp- en zonnelicht
getemperd zijn voor de ogen
en waar de soobre lijn van een gelaat
en waar de vrede van een vriendschap staat
lijk schaduw van een boom
over mijn hoofd
gebogen.


Alice Nahon
Uit 'Schaduw' - gedichten van Alice Nahon.
Uitgeverij: De Nederlandsche Boekhandel, 1928.


‘Ik heb de liefde liefgehad’ is ook de sprekende titel van een biografie over het leven van Alice Nahon, geschreven door Manu Van der Aa en bekroond met de ‘Prijs voor de monografie’ van de provincie Antwerpen.

Een meer uitgebreide biografie kan men vinden op:
een bibliografie:
en een bloemlezing van haar gedichten:

 
Zelf werd ik geïnspireerd, na het beluisteren van een reportage op de radio over het (toch wel bewogen) leven van Alice Nahon, tot het schrijven van het gedicht dat ik vorig jaar al een keer op mijn blog plaatste:


 .

Maar toch verdwijnt de onrust niet
hoezeer ik ook naar vrede tracht
de deining heeft mij in haar macht
en brengt mij leegte en verdriet 

hoe zacht ben ik en toch graniet
verlangend maar soms ondoordacht
en hoe nerveus rond middernacht
als niemand mij de liefde biedt 

ik zoek maar vind slechts namaaksfeer
en bouw rond mij een muur van schijn
een burcht waarin men mij niet vindt
maar slechts het beeld dat ik creëer 

een beeld dat breekt als porselein,
als iemand mij dan écht bemint.


© bert deben
Antwerpen, 31 juli 1996,
Zelfportret, geschreven na het beluisteren van een reportage rondom Alice Nahon.


 

read more